‘Help, pissebedden!’

Een zonnige herfstdag in de Springertuin

Net over de brug naar de Springertuin in de Haarlemmer Kweektuin hipt een roodborstje over het looppad. Zodra een vrijwilligster met bladschep en –mand nadert, vlucht de vogel weg tussen de knisperende, rode en gele bladeren. “We gooien niets weg hier,” vertelt beheerder Arjan de Pater (65), “al het blad op de paden vegen we de borders in, of we brengen het naar de composthoop. Met droog weer kun je het makkelijk opvegen. Zodra het regent, wordt het bagger, en dan glijd je erover uit.”

 

Kabouter Karel

Met soepele pas – je zou niet zeggen dat hij over anderhalf jaar met pensioen gaat – wijst Arjan op Karel, één van de houten kabouters in de Springertuin. De roodgemutste paaltjes zijn hier geplaatst om jonge Haarlemmers natuurbewust te maken. “Veel kinderen kennen de kabouters bij naam”, vertelt Arjan, “en willen ze allemaal begroeten.” Zo trippelen de kleintjes ongemerkt de hele Springertuin door van tienduizend vierkante meter. En raken spelenderwijs bekend met de grote variëteit aan bomen, planten en dieren die hier leeft.

Op adem komen

Voor papa of mama is zo’n wandeling een onthaastmoment – win-win zou je zeggen. Maar begin 2021 moest de Springertuin drie maanden op slot om op adem te komen. De paden waren platgetreden, en erger: men liep er ook buiten. Daardoor kwam de grote biodiversiteit – juist zo waardevol aan de Springertuin – in het nauw.

 

Instructietuin

In plaats van recreatief wandelpark zou de Springertuin dan ook vooral een educatief nut moeten hebben, vindt Arjan. Bijna zijn hele werkzame leven wijdde hij aan de tuin, en hij deed er alles aan om deze zo levendig en gevarieerd mogelijk te maken. “Zo heeft Leonard Springer, directeur van de gemeentelijke groendienst begin vorige eeuw, de tuin ook bedoeld toen hij hem in 1910 aanlegde. Als een instructietuin voor schoolkinderen en hoveniers die het gemeentegroen onderhielden.”

Stronk optillen

In de geest van Springer kwam er onder Arjans bewind een ‘beestjestuin’, met paden omlijst door boomstronken. Onder elk ervan schuilt een zes- of achtpotig universum. “Als we hier een klas kinderen rondleiden, mogen ze allemaal zo’n stronk optillen en een diertje vangen. Dat levert eerst een hoop gegil op: help, pissebedden! Maar aan het einde van de les spelen de kinderen met hun vondsten. En voor ze weer naar huis gaan, laten ze alle beestjes vrij.”

 

Duivelswandelstok

Van de beestjestuin gaat Arjan voor naar de ruïne, langs een imposante treurwilg en veel exoten, zoals glanzende bamboe, driebladige citroen (Poncirus) en duivelswandelstok (Aralia elata). De laatste ‘wandelt’ via een ondergronds wortelstelsel met grillige stammen door de tuin. “Het blad is zó groot!” vertelt Arjan en hij spreidt zijn armen wijd, zijn ogen stralen. Genoeg te ontdekken in de ruim honderd jaar oude Springertuin. Educatief of recreatief: zo lang je de biodiversiteit maar koestert.

Kom langs

Kijk op www.haarlemmerkweektuin.nl/contact voor de openingstijden van de Springertuin.

Natuur en Milieu Educatie

Ook met de klas naar de Springertuin? Neem contact op met Natuur en Milieu Educatie (NME) van de gemeente Haarlem: 023-511 4702, nmeactiviteiten@haarlem.nl of neem een kijkje op www.haarlem.nl/nme/

Tuinwerk

De Springertuin wordt onderhouden door een team van acht vrijwilligers. Vind je het leuk om mee te helpen? Neem contact op met nmeactiviteiten@haarlem.nl

Tekst en foto’s door Johanna Hoogendam, december 2021

‘Ik denk dat nachtvlinders bang zijn voor licht’

In het donker op de Kweektuin

Om nachtvlinders te tellen, moet je vroeg je bed uit. Om half zeven ’s morgens, nog voor het licht wordt, inspecteert bioloog Dik Vonk (73) de vlindervangkist voor de Springertuin. Gisteravond plaatste hij die kist hier, op een geleend tafeltje van het Kweekcafé, met een oud gordijn erover. Bovenop de kist staat een UV-lamp van driehonderd Watt. Dat geeft zulk fel licht, dat niet alleen nachtvlinders die in de Kweektuin wonen erop afkomen, ook ‘overvliegende’ exemplaren. En dat is waar Dik zo benieuwd naar is: “Of er hier in de stad ook specialistische soorten uit de Kennemerduinen langskomen.”

 

Bijna teder

Over enkele minuten komt de zon op, dan kan het tellen beginnen. Met behulp van een mijnwerkerslampje op zijn voorhoofd spot Dik een eigenwijze nachtvlinder die wel op het licht is afgekomen, maar in de plooi van het gordijn is blijven zitten. Bijna teder vangt Dik het diertje in een plastic potje en stopt het in zijn binnenzak. “Er zijn er nu eenmaal altijd een paar die zich niet aan de regels houden,” grijnst hij.

Heks

Al acht jaar, sinds zijn pensionering als stadsecoloog, telt Dik elke drie weken nachtvlinders, het hele jaar rond, zowel in de Kennemerduinen als in de Kweektuin. De nachtelijke fladderaars fascineren hem: “Er is nog zo weinig onderzoek naar gedaan.” Waarom nachtvlinders naar het licht vliegen bijvoorbeeld? Men weet het niet. Dik heeft er zelf iets op bedacht: “Ze zijn bang voor licht, en gaan eropaf zoals kleine kinderen onder het bed kijken omdat ze daar een heks vermoeden. Eenmaal dicht bij de lamp, raken de nachtvlinders in paniek en vallen in de vangkist.”

 

Klamboe

De lamp gaat uit en behoedzaam legt Dik een theedoek in de opening van de vangkist. Dan drapeert hij een klamboe over de kist, en vouwt het gordijn eromheen, alvorens het gevaarte voorzichtig op te tillen en naar de lege kas tegenover de Springertuin te dragen. Op een goede nacht, vertelt hij, zitten er driehonderd dieren in de kist, zo’n vijftig tot tachtig soorten. Het is een fractie van de ruim tweeduizend soorten nachtvlinders die er voorkomen in Nederland. Maar het is toch geen slechte score voor een stadstuin.

Mysterie

Nu, in het najaar, zal hij er minder in de kist aantreffen. Maar zelfs in de winter zijn er nachtvlinders, zoals de kleine wintervlinder, die haar eitjes legt op kale takken. “Sommige nachtvlinders kunnen kilometers vliegen, en van enkele soorten weten we dat ze elk najaar naar het Middellandse Zeegebied vliegen. Maar hoe of wat precies? Het blijft een mysterie.”

 

De lichte en donkere vorm van de buxusmot

Zeldzaam

Bij het uitpakken vanochtend blijkt er zo’n trekvlinder in de kist te zitten: een satijnlichtmot, met witte, bijna transparante vleugels, ragfijn omlijst met een gouden rand. Dik is opgetogen, en meer nog als hij de nachtvlinder uit zijn binnenzak – die op het gordijn zat – tevoorschijn tovert. Het blijkt een zeldzame nazomeruil, die bijna alleen in de Hollandse duinen voorkomt. In totaal telt Dik 48 nachtvlinders in de vangkist, van elf verschillende soorten, waaronder huismoeders, buxusmotten, zwarte c-uilen en stofuilen. Straks zal Dik ze allemaal weer vrijlaten. Maar niet voordat hij ze gefotografeerd heeft en gemeld op waarneming.nl.

 

Uil, mot of nachtvlinder?

Kleine nachtvlinders worden ook wel ‘mot’ genoemd, of ‘micro’. Grote nachtvlinders heten ‘macro’s’. Soms verwijst de naam naar de plant waar de nachtvlinder haar eitjes op legt, soms ook naar een uiterlijk kenmerk. Zo heeft de pijlstaartvlinder een pijl op de staart en de taxusspikkelspanner altijd uitgevouwen (‘uitgespannen’) vleugels. En de ‘uiltjes’? Die vouwen hun vleugels als een dakje boven hun hoofd en lijf.

 

Ook nachtvlinders tellen?

Dik Vonk maakt deel uit van de werkgroep nachtvlinders van de Haarlemse afdeling van de KNNV, de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging. Geïnteresseerd in het werk van de KNNV, of wil je als vrijwilliger meehelpen met tellen? Kijk op https://haarlem.knnv.nl

 

Tekst en foto’s door Johanna Hoogendam, november 2021